Het samenbrengen van gescheiden leefwerelden, een interview met Paul Dekker

09-11-2020
257 keer bekeken

Op deze pagina vindt u de laatste ontwikkelingen en nieuwsberichten van het kennisknooppunt Participatie.

Op de hoogte blijven? Meldt u aan voor onze nieuwsflits:

Blijf op de hoogte  

Interview in het kader van het onderzoek inclusiviteit en diversiteit in participatieprocessen.

Paul Dekker is politicoloog, onderzoeker bij het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) en hoogleraar Civil Society aan de Universiteit van Tilburg. Hij doet onderzoek naar de publieke opinie in Nederland, naar sociale en politieke houdingen en participatie en vrijwilligerswerk.

Wat verstaat u eigenlijk onder inclusiviteit?
Inclusiviteit is een normatieve term, die gepaard gaat met een zweem van politieke correctheid. Dat neemt niet weg dat inclusiviteit belangrijk is. Voor mij gaat het om het tegengaan van ongelijkheid en uitsluiting. Vaak ligt hier een democratisch motief aan ten grondslag. Maar tegenwoordig zien we ook steeds vaker een instrumenteel motief, namelijk dat inclusieve participatieprocessen zouden leiden tot kwalitatief betere plannen en besluiten. Voor mij is vooral het democratische motief belangrijk; dat zou voldoende moeten zijn om te streven naar inclusiviteit.

“De overheid moet inclusiviteit bevorderen, of groepen er nu zelf om vragen of niet”

Kijk, soms zullen (achtergestelde) groepen in de samenleving zelf opeisen dat zij beter betrokken worden bij participatieprocessen. Maar soms lijkt er ook sprake te zijn van desinteresse. Vanuit democratisch oogpunt moet je daar als overheid geen genoegen mee nemen. De overheid moet inclusiviteit bevorderen, of groepen er nu zelf om vragen of niet, bijvoorbeeld door uit te zoeken wat achter die ogenschijnlijke desinteresse schuilgaat. Vaak heeft dat namelijk te maken met weinig vertrouwen in het eigen vermogen om te kunnen participeren.

En hoe staan we ervoor in Nederland qua inclusiviteit in participatieprocessen?
In mijn werk benader ik deze vraag vooral vanuit ongelijkheid. In de jaren ´80 ging dit over de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen. Vandaag de dag valt in Nederland vooral de ongelijkheid naar opleidingsniveau op. Lager opgeleiden of, beter gezegd, burgers met een lagere sociaaleconomische status, zijn ondervertegenwoordigd in participatie-processen.

Die ongelijkheid in participatie is in Nederland relatief groot. In bijvoorbeeld Scandinavië zijn de verschillen kleiner en besteden ze meer aandacht aan het tegengaan van ongelijkheid. Een mogelijke verklaring is het verschil in scholing. In Scandinavische landen zitten kinderen met verschillende niveaus langer in één klas bij elkaar.

Wat is het risico van onvoldoende inclusiviteit?
We leven in een gefragmenteerd Nederland. Lager en hoger opgeleiden komen elkaar steeds minder tegen. We leven in gescheiden leefwerelden.

Dit heeft implicaties voor participatie. Burgers verlangen ernaar om mee te tellen in te samenleving. Tegenwoordig worden nog maar weinig besluiten door overheden genomen zonder dat burgers de kans hebben gekregen om in te spreken of mee te denken. Als deze kans enkel benut wordt door ‘usual suspects’ (in dit geval met name hoger opgeleiden), herkennen andere groepen in de samenleving zich niet in de besluiten. Zij hebben het gevoel dat zij niet goed vertegenwoordigd worden, uitgesloten worden en er als groep niet toe doen. Dit resulteert in onbehagen en kan bijdragen aan een verdere fragmentatie van leefwerelden.

Wat kan de overheid doen om de inclusiviteit van participatie te bevorderen?
Het is belangrijk om verschillende motieven van burgers om te participeren te erkennen. Veel burgers willen participeren niet omdat zij het zo leuk vinden om mee te denken (zoals de ‘usual suspects’), maar omdat zij politici en ambtenaren niet vertrouwen en hen willen controleren en corrigeren. Dit speelt vooral bij lager opgeleiden. Dat valt voor politici soms moeilijk te accepteren. Maar participatie vanuit wantrouwen moeten we als legitiem accepteren. Bovendien wijst wantrouwen ook op betrokkenheid en die energie kun je proberen te benutten.

Hoe kan dat wantrouwen benut worden?
Er moet een mogelijkheid zijn voor burgers om mee te kunnen beslissen, bijvoorbeeld middels een referendum. De grens wanneer zij mee kunnen beslissen mag in een proces best hoog worden gesteld; meebeslissen is een uiterste mogelijkheid, een noodrem zogezegd.  Het idee voor burgers dat zij ingrijpen indien nodig is al heel belangrijk en kan weerstand wegnemen.

“Participatie vanuit wantrouwen moeten we als legitiem accepteren”

U beschrijft in één van uw artikelen de ‘doe-democratie’ als manier om inclusiviteit in participatieprocessen te bevorderen, hoe zit dat?
Ik maak onderscheid tussen burgerparticipatie gericht op inspraak en meedenken, en de ‘doe-democratie’. Die tweede kent een praktische insteek. De focus ligt op burgers die zichzelf organiseren en dingen ondernemen. Denk bijvoorbeeld aan het overnemen van lokale bibliotheken, gezamenlijk het groen in de straat onderhouden of een duurzame energiecoöperatie oprichten.

Hoewel bezuinigingen misschien wel een belangrijker motief waren, was een voornaam uitgangspunt om meer praktisch te werk te gaan zodat het verbaal vermogen van burgers minder belangrijk werd in het wel of niet kunnen participeren. De gedachte was dat dan ook lager opgeleiden - die vaker niet op de voorgrond treden tijdens discussies in participatieprocessen - niet direct op een achterstand werden gezet en dat op die manier de ongelijkheid in participatie verminderd kon worden.

En wat is daarvan terecht gekomen?
We zien inderdaad dat de ‘doe-democratie’ een breder palet burgers weet te betrekken. Het begint bij een paar vrijwilligers en initiatiefnemers, en beetje bij beetje raken meer burgers betrokken. Zo ontstaan nieuwe lokale verbindingen en groeit het vertrouwen in de medeburger en de betrokkenheid bij de samenleving. In lijn met het denken van politiek filosoof Alexis de Tocqueville, kunnen die nieuwe verbindingen ertoe leiden dat burgers in staat zijn om gezamenlijk collectieve vraagstukken aan te pakken.

Maar u beschrijft ook de risico’s van de doe-democratie…
Klopt. Er is een groot verschil tussen iets samen doen en het praten over politieke onderwerpen en standpunten. Praten over de politiek ligt gevoelig en kan de samenwerking in gevaar brengen; politieke scheidslijnen komen bovendrijven wat beangstigend kan werken voor initiatiefnemers. Vanuit het oogpunt van vrijwilligers of initiatiefnemers die iets voor elkaar willen krijgen, kan het dan verstandig zijn om ver van politieke discussies te blijven.

Dat actieve burgers zichzelf organiseren in kleinschalige initiatieven om de gevolgen van de problemen te verzachten, kan ten koste gaan van het politiek aan de kaak stellen van de grotere problematiek die eraan ten grondslag ligt”

Het blijkt dan ook dat burgers zichzelf voornamelijk organiseren in groepjes van gelijkgestemden. Uit onderzoek onder vrijwilligers of initiatiefnemers en de betrokkenen bij een initiatief blijkt ook dat hun ‘leefwereld’ op politiek vlak niet breder wordt. Men ziet zichzelf liever als ‘gewoon mens’ in plaats van burger; ze zweren bij een ‘aanpakkersmentaliteit’ en wenden zich af van eindeloos praten en discussiëren.

Het apolitieke van de doe-democratie kan ook veel waarde hebben, je zou kunnen denken “zo komt er nog eens iets voor elkaar”.
Geïnspireerd op het werk van de sociologe Eliasoph, zie ik dat de ‘doe-democratie’ apolitieke of zelf antipolitieke trekken kent. De consequentie kan zijn dat niet de dingen worden gedaan die het hardst nodig zijn, denk aan het klimaat of structurele armoede. Sommige problemen zijn zo groot dat ze niet zomaar kunnen worden opgelost binnen het sociaal-vrijwillige vlak; die vereisen politieke dialoog en discussie, wat in de ‘doe-democratie’ dus vermeden wordt. Dat actieve burgers zichzelf organiseren in kleinschalige initiatieven om de gevolgen van de problemen te verzachten, kan ten koste gaan van het politiek aan de kaak stellen van de grotere problematiek die eraan ten grondslag ligt.

Wat kan een overheid doen om die risico’s te verminderen?
Mijns inziens kan de overheid drie dingen doen. Ten eerste. Daar waar burgers zichzelf organiseren rondom een concreet ‘probleem’, kunnen overheden de verbinding maken met de politiek. Dat lijkt me vooral een taak van volksvertegenwoordigers en andere politici. Die hebben ‘doe-democratisch’ echter de neiging om zich terug te trekken om burgers ‘de ruimte te geven’.

Ten tweede kan de overheid ondersteunen dat burgers getraind en begeleid worden in het omgaan met niet-gelijkgestemden. Het leren omgaan met verschillen van mening, je ideeën productief naar voren brengen en het sluiten van compromissen kan bijvoorbeeld in onderwijs meer aandacht krijgen. Maar in deze sfeer kan ook ondersteuning van burgerparticipatie door professionals zin hebben. Die kunnen helpen ervoor te zorgen dat meningsverschillen niet ontsporen in vijandschap of juist verdoezeld worden.

Dat breng mij bij mijn derde punt. Overheden kunnen verschillende groepen in de samenleving met elkaar in contact brengen, zodat ze van elkaar kunnen leren. De energietransitie biedt hiervoor kansen. Overheden kunnen stimuleren dat burgers met verschillende achtergronden (zoals opleidingsniveau) gezamenlijk aan de slag gaan, waarbij ieder vanuit zijn eigen expertise kan bijdragen. Denk aan iemand die de technische berekeningen kan doen voor zonnepanelen, iemand die de subsidieaanvraag weet te schrijven en iemand die concreet weet hoe je zonnepanelen op je dak monteert. Op die manier kunnen verschillende burgers, die normaalgesproken in gescheiden leefwerelden leven, met elkaar in contact komen, van elkaar leren en elkaar waarderen.

Over dit artikel
In participatieprocessen over publieke vraagstukken wordt veel gesproken over inclusiviteit. Echter is rondom de specifieke betekenis en invulling daarvan nog veel onduidelijk. Daarom heeft het Kennisknooppunt Participatie aan GovernEUR|Erasmus Universiteit Rotterdam gevraagd om verdiepend onderzoek te doen rondom het thema inclusiviteit in participatieprocessen in de fysieke leefomgeving. Middels interviews met experts uit de wetenschap en praktijk, wordt vanuit verschillende perspectieven ingegaan op de vragen: Wat is inclusiviteit? Waarom is het van waarde om te streven naar inclusiviteit? Hoe kun je participatieprocessen meer inclusief maken?

Wekelijks publiceren we op deze website een interview met een expert. Het interview met Paul Dekker is het eerste artikel in deze reeks. De inzichten uit de interviews worden samengebracht en gepresenteerd in een snelstudie en tijdens een speciale uitzending van Studio P op 20 januari. Houd hiervoor onze website en sociale media in de gaten.

Afbeeldingen

Toegevoegde bestanden

Twitter

Cookie-instellingen