De kracht van genereuze gemeenschappen, een interview met Floor Ziegler

13-11-2020
785 keer bekeken

Op deze pagina vindt u de laatste ontwikkelingen en nieuwsberichten van het kennisknooppunt Participatie.

Op de hoogte blijven? Meldt u aan voor onze nieuwsflits:

Blijf op de hoogte  

Interview in het kader van het onderzoek inclusiviteit en diversiteit in participatieprocessen.

Floor Ziegler is een stadmaker. Zij vormt gemeenschappen van mensen uit zowel de leef- als systeemwereld rond fysieke  plekken en aan de hand van thema’s. Floor is samen met zakelijk partner Teun Gautier werkzaam vanuit haar eigen bedrijf ZieglerGaultier[1] en is bestuurder van de StadmakersCooperatie[2]. Onlangs richtte zij de Sociaal Creatieve Raad[3] op; een raad van diverse maatschappelijke netwerken die hun krachten bundelen om samen met kunstenaars en ontwerpers te werken aan nieuwe toekomsten rond maatschappelijke vraagstukken. 

Wat betekent voor u ‘participatie’ en ‘inclusiviteit’? 
Bij die woorden moet ik eigenlijk een beetje grinniken. Naar mijn idee zijn het een beetje ouderwetse woorden. Ik en andere stadsmakers gebruiken die woorden eigenlijk niet meer. Wat mij opvalt, is dat er in de systeemwereld, of formele wereld van de overheid ontzettend veel over gepraat wordt. Mijn focus ligt op doen en ervaren. 

Vertel, waarom zijn die woorden volgens u achterhaald?
Participatie impliceert meestal dat een overheid iets organiseert, waarbij zij bewoners iets voorlegt en bewoners kunnen reageren. In de praktijk hebben ambtenaren eigenlijk zelf al een plan. Bewoners kunnen dan enkel nog de kleur van de schommel kiezen. Bewoners écht serieus nemen en écht mee laten doen vereist gelijkwaardigheid. Maar aan het idee dat een overheid participatie organiseert ligt een ongelijkwaardige relatie ten grondslag, wat een gelijkwaardige samenwerking dus bemoeilijkt. Ik streef naar die gelijkwaardige samenwerking en noem dat liever co-creatie.

Wat betekent dit voor het begrip inclusiviteit? 
Dat idee dat een overheid participatie organiseert impliceert dat die overheid ook bepaalt wat ‘inclusief’ betekent. Zij bestempelt bepaalde groepen, bijvoorbeeld op basis van achtergrondkenmerken, om vervolgens te bepalen of specifieke groepen voldoende gerepresenteerd worden in participatieprocessen. 

"Niet iedereen hoeft mee te doen om toch genereus te kunnen zijn"

Geïnspireerd door stadsmakers in Groningen, streef ik niet naar inclusiviteit maar naar generositeit. Het gaat om het genereus zijn naar wie dan ook. Dit betekent dat je ook genereus bent naar diegenen die niet meedoen. En dat niet iedereen hoeft mee te doen om toch genereus te kunnen zijn.

Hoe doe je dat, genereus zijn? 
Wanneer er sprake is van gelijkwaardige samenwerking, dan volgt inclusiviteit of generositeit vanzelf. Ik doe dat in mijn werk door gemeenschappen te creëren of te verbinden rondom plekken en thema’s. Een fysieke plek is daarbij belangrijk, omdat er een concrete plek is waar gemeenschappen samen kunnen komen. Zo kunnen  duurzame gemeenschappen ontstaan. 

Dat is misschien makkelijker gezegd dan gedaan, gemeenschappen creëren? 
Als stadsmaker heb ik geleerd dat drie ingrediënten cruciaal zijn voor het creëren van gemeenschappen. Het gaat om het samenbrengen van doeners, creatievelingen en mensen uit het systeem. Met die drie wordt een initiatief breed gedragen en bereik je diverse mensen. 

Daarnaast zijn er nog twee belangrijke elementen, namelijk om mensen te betrekken op hun drijfveren en op zoek te gaan naar een gemeenschappelijk belang. Als mensen vanuit hun eigen drijfveren een bijdrage kunnen leveren aan een gemeenschappelijk belang, worden mensen gelukkig en ontstaat er binding en eigenaarschap. 

Kunt u dat illustreren met een voorbeeld?
Toen ik naar Amsterdam Noord verhuisde, had ik behoefte aan een culturele ontmoetingsplek. Ik richtte de Noorderparkkamer[4] op. Het begon met de aankoop en plaatsing van een houten paviljoen. Dit paviljoen had de knusheid van een huiskamer maar ook een schuifwand die open kon zodat een openlucht podium ontstond. Daar zorgde ik voor een programma met kunst en cultuur, samen met lokale creatievelingen. Ik werkte daarbij ook samen met mensen uit de systeemwereld, zoals mensen van de gemeente, woningcorporaties en welzijnsorganisaties, zodat het een breed gedragen initiatief werd.

“Zo ontstaan vanuit die drie ingrediënten – doeners creatievelingen en ambtenaren – gedragen bottom-up oplossingen”

Aanvankelijk ontstond er echter ook weestand onder bewoners. Ze vonden het paviljoen lelijk of vonden mij een ‘bakfietsmoeder’ die haar klassieke muziek kwam opdringen. Dus ging ik met die bewoners in gesprek. En wat bleek, er sudderde een ander probleem in het Noorderpark. Hondenbezitters wilden een goede plek om hun hond uit te laten, andere bewoners wilde kunnen barbecueën zonder dat hun worsten door honden werden opgegeten, en alcoholisten zochten een rustig bankje om hun biertje te kunnen drinken. 

Toen heb ik die mensen uitgenodigd om te komen praten over mogelijke oplossingen. Niet op een formele participatiebijeenkomst, maar gewoon even een bakje koffie drinken in het paviljoen. Toevallig was daar soms ook een sleutelfiguur vanuit de gemeente of van de groep hondenbezitters aanwezig. Die raakten dan met elkaar in gesprek, ontdekten en erkenden elkaars drijfveren, zochten het gemeenschappelijk belang en werkten aan een oplossing die voor iedereen meerwaarde had. Zo ontstond vanuit de bewoners zelf het briljante idee om aan de ene kant van het park een grote gemeenschappelijke barbecue te plaatsen en aan de andere kant de hondenuitlaatplaats te positioneren. Voor de alcoholisten werden voldoende bankjes geplaatst op rustige plekjes. Een win-win situatie voor alle betrokkenen. En die grote barbecue liet ik vervolgens maken door een ontwerper. Zo ontstaan vanuit die drie ingrediënten – doeners, creatievelingen en ambtenaren – gedragen bottom-up oplossingen.
Als ik nu de foto’s van die tijd met de Noorderparkkamer terugkijk, denk ik “goh wij wisten eigenlijk best een heel diverse groep bewoners te betrekken”, terwijl dat nooit expliciet ons doel is geweest.

Uiteindelijk bent u ook weer vertrokken uit Amsterdam Noord?
Ja en toen nam de gemeente de participatie in het gebied over. Toen werd het allemaal een stuk minder inclusief of genereus. De gemeente organiseerde bijeenkomsten, maar bewoners voelden zich niet gehoord, gezien noch erkend. Er is veel weerstand en protest ontstaan, vooral rondom de ‘opwaardering’ van het gebied, waardoor bewoners zich verdreven voelen door nieuwe, rijkere bewoners. Bewoners zijn participatie-moe en hebben het idee te strijden tegen een systeem dat hen niet serieus neemt. 

U werkt dus aan het bottom-up vormgeven van de stad en uw vertrekpunt daarbij is gemeenschappen. Waarom is dat volgens u zo belangrijk? 
Het is van belang om je echt op de gemeenschap te richten, want mensen floreren in kleinere verbanden. Mensen moeten een sense of relevance  hebben; het idee dat zij en hun inzet ertoe doen. Zodra gemeenschappen te groot worden, is er weer een hiërarchisch systeem nodig en neemt de sense of relevance af. 

“Mensen moeten een sense of relevance hebben; het idee dat zij en hun inzet ertoe doen”

Ik kan me voorstellen dat bottom-up stadsontwikkeling vanuit gemeenschappen best moeilijk is in een domein dat toch vooral top-down wordt gestuurd? 
Dat klopt, maar ik zie een positieve trend. Ik werk veel samen met projectontwikkelaars en ontwikkelaars van gemeenten. Met hen werk ik aan het idee om een ‘tussenruimte’ op te nemen in plannen en bijbehorende tekeningen. In de plannen laten we dan een deel van de ruimte onbepaald of leeg. Die ruimte is expliciet bedoeld voor de nieuwe bewoners, de toekomstige gemeenschappen, om daar samen te komen en gezamenlijk vorm aan te geven. Zo kun je in top-down plannen ruimte maken voor bottom-up vormgeving door gemeenschappen. 

Wat vraagt zo’n bottom-up stadsontwikkeling en werken in gelijkwaardige gemeenschappen van ambtenaren en politici? 
Het vraagt van ons allemaal, ook van ‘gewone burgers’, dat we onszelf en anderen aanspreken op ons mens-zijn. Niet vanuit een bepaalde functie of positie, maar gewoon als mens. Bovenal vraagt het om je over je eigen angsten voor de ander heen te zetten. Het vraagt een zekere bescheidenheid en openheid naar de ander toe. Je moet oprecht nieuwsgierig zijn wat de ander jou te vertellen heeft en dankbaar zijn als iemand zijn belevingswereld met je deelt. Mensen zijn vaak bang om iets te verliezen als ze zich kwetsbaar en open opstellen naar de ander, maar er is juist zoveel te winnen. 

Hoe kunnen we dat leren, openheid naar en vertrouwen in de ander?
Dan kom ik weer terug op het belang van doen en ervaren. Zo creëer ik vanuit mijn werkpraktijk psychologische ‘tussenruimtes’[5] – niet te verwarren met de fysieke ‘tussenruimte’ in stadsplanning – waarin ik bijvoorbeeld een bankje zet. Ik nodig mensen uit om toe te treden tot de ‘tussenruimte’ en leg hen uit dat in deze ruimte iedereen mag zeggen wat hij of zij van een thema vindt, dat er geen oordelen worden geveld en dat mensen niet in de rede mogen worden gevallen. Meerdere keren heb ik ook wethouders en politici in deze ruimte uitgenodigd. Ik vertel hen dat zij in deze ruimte gewoon mens zijn, niet iemand met een bepaalde functie of aanzien. En telkens weer blijkt dat mensen, ook met heel uiteenlopende denkbeelden en waarden, de verbinding zoeken en elkaar vinden in gedeelde drijfveren. Dat is een belangrijke les of ervaring die mensen bijblijft. 

“Het vraagt een zeker bescheidenheid en openheid naar de ander toe”

En u had nog een voorbeeld?
Ja, een van mijn favoriete werkwijzen is om ambtenaren mee de straat op te nemen of een dagje mee te lopen bij een bewonersinitiatief. We gaan onbevangen, zonder plan, een gebied in, hebben onverwachte ontmoetingen en gaan gesprekken aan met bewoners. Het is opvallend wat een blijvende uitwerking dit heeft op de betrokken ambtenaren. Dat is op zich opvallend, want iedereen is natuurlijk ooit een ‘gewone’ man of vrouw van de straat geweest. Maar het lijkt erop dat mensen dat vanaf een zekere leeftijd en een zekere functie in de systeemwereld vergeten. Dan ontstaat er afstand tot de leefwereld van ‘gewone’ bewoners. Die Omgevingswandelingen[6] zetten ambtenaren serieus aan het denken. Je kunt blijven praten over wat ‘de burger’ wel of niet wil en denkt, maar je komt er maar op één manier echt achter, en dat is door het te ervaren. Dan ontstaat oprechte interesse, openheid en nieuwsgierigheid en daarmee is de eerste stap naar een gelijkwaardige samenwerking gezet. 

Over dit artikel
In participatieprocessen over publieke vraagstukken wordt veel gesproken over inclusiviteit. Echter is rondom de specifieke betekenis en invulling daarvan nog veel onduidelijk. Daarom heeft het Kennisknooppunt Participatie aan GovernEUR|Erasmus Universiteit Rotterdam gevraagd om verdiepend onderzoek te doen rondom het thema inclusiviteit in participatieprocessen in de fysieke leefomgeving. Middels interviews met experts uit de wetenschap en praktijk, wordt vanuit verschillende perspectieven ingegaan op de vragen: Wat is inclusiviteit? Waarom is het van waarde om te streven naar inclusiviteit? Hoe kun je participatieprocessen meer inclusief maken?

Wekelijks publiceren we op deze website een interview met een expert. Het interview met Floor Ziegler is het tweede artikel in deze reeks. Klik hier voor eerste interview met Paul Dekker. De inzichten uit de interviews worden samengebracht en gepresenteerd in een snelstudie en tijdens een speciale uitzending van Studio P op 20 januari. Houd hiervoor onze website in de gaten.

 

[1] https://floorziegler.nl/

[2]https://stadmakersonline.nl/organization/4757/stadmakersco%C3%B6peratie

[3] https://www.sociaalcreatieveraad.nl/

[4] https://floorziegler.nl/noorderparkkamer/

[5] https://floorziegler.nl/wp-content/uploads/2019/01/WEGWIJZERS-TUSSENRUIMTE.pdf

[6] https://floorziegler.nl/wegwijzer-stappenplan-voor-omgevingswandeling/

Afbeeldingen

Toegevoegde bestanden

Twitter

Cookie-instellingen